Beet the system: Artikel 6

Agrobrandstoffen: eco-destructie en landroof in naam van het klimaat!

Manuel Eggen, verantwoordelijke beleid en onderzoek, FIAN Belgium

Politieke steun aan agrobrandstoffen droegen bij aan de ontwikkeling van een oplossing die erger is dan de kwaal.

DE OPKOMST VAN DE AGROBRANDSTOFFEN

Agrobrandstoffen zijn brandstoffen die worden bekomen uit organische, niet-fossiele grondstoffen: biomassa [1]. We onderscheiden de agrodieselsector die voornamelijk werkt met plantaardige oliën (palm, koolzaad, soja, zonnebloem, enz.) en die van agro-ethanol (gemengd met benzine) die suiker- of zetmeelhoudende landbouwproducten gebruikt (rietsuiker, maïs, bieten, tarwe, enz.)

Pioniers zetten agrobrandstoffen reeds in vanaf de beginjaren van de auto-industrie. Nikolaus Otto, uitvinder van de interne ontploffingsmotor, had deze ontworpen om te werken op ethanol. Rudolf Diesel, uitvinder van de dieselmotor, liet zijn machines draaien op arachideolie. Door het overaanbod op de internationale markt aan goedkope petroleum werden deze brandstoffen echter minder aantrekkelijk. Pas met het groeiende besef van de eindige petroleumreserves, de wil om onafhankelijk te zijn van grote exportlanden en de noodzaak hernieuwbare energiebronnen te vinden om de klimaatverandering in te perken, kwamen agrobrandstoffen weer in het vizier. En zo ontving de agrobrandstoffenindustrie vanaf de jaren 2000 massaal publieke steun, vooral in de Verenigde Staten en Europa. In Europa wilden sommigen de kans aangrijpen om nieuwe markten te creëren voor de landbouw, die in verschillende sectoren kampte met overproductie en dus kelderende prijzen [2].

Vanaf 2003 vaardigde de Europese Commissie dan ook verschillende richtlijnen uit om agrobrandstoffen te bevorderen. Zo verplicht de richtlijn rond hernieuwbare energie van 2009, de deelstaten om tegen 2020,10% aan hernieuwbare energie te gebruiken in het transport, en worden er (voornamelijk fiscale) steunmaatregelen voorzien om de betrokken sectoren te ontwikkelen.

Politieke steun aan agrobrandstoffen droegen bij aan de ontwikkeling van een oplossing die erger is dan de kwaal

Die politieke steun was bepalend voor de opkomst van agrobrandstoffen, die voorheen niet konden concurreren met fossiele energie. Het verbruik van agrobrandstof is op tien jaar tijd dan ook vertienvoudigd, van 1,1 miljoen ton olie-equivalent (TOE) in 2002 naar 14,4 miljoen TOE in 2013, alvorens te stabiliseren.

Source : EurObserver

DRAMATISCHE IMPACT OP MENSENRECHTEN

Het duurde niet lang voor heel wat experten en middenveldorganisaties waarschuwden voor de negatieve maatschappelijke- en milieueffecten van een massale teeltuitbreiding bedoeld voor agrobrandstoffen: daling van voedselproductie ten koste van voedselzekerheid van lokale bevolkingen; prijsstijging van landbouwproducten op de internationale markten; ontbossing en druk op de landbouwgronden; landroof ten koste van kleine landbouwers; verlies aan biodiversiteit en grondverontreiniging door monocultuur; uitputting van waterbronnen; enz.

De opmars van agrobrandstoffen midden jaren 2000 was een van de elementen die in 2007-2008, in een context van onstabiele landbouwmarkten, tot een plotse en forse prijsstijging leidde van basisvoedingsproducten. Deze voedselcrisis leidde tot hongerrellen in een veertigtal ontwikkelingslanden.

Geconfronteerd met de steeds duidelijkere gevolgen raadden de internationale instanties voor voedselzekerheid landen daarom aan hun steun aan agrobrandstoffen te beperken [3]. In 2008 waarschuwde, O. De Schutter, speciaal rapporteur over het recht op voedsel, de mensenrechtenraad dat “de actuele keuze voor ontwikkeling van agrobrandstoffen voor de transportsector niet leefbaar is, en dat als er geen halt wordt toegeroepen aan de uitbreiding van deze productie, er nieuwe schendingen van het recht op voedsel zullen gebeuren” [4]. In 2013 vroeg hij in een beleidsnota uitdrukkelijk aan de EU en de lidstaten om geen dwingende doelstellingen meer uit te vaardigen rond hernieuwbare energie in de transportsector omwille van de “uitzonderlijk negatieve impact van dit beleid op het recht op voedsel in verschillende ontwikkelingslanden” [5].

BELGIË STEEKT ZIJN KOP IN HET ZAND

Ook in België wees het middenveld op de impact van het Belgische beleid inzake agrobrandstoffen [6]. Een studie in opdracht van de overheid in 2011 waarschuwde de politieke verantwoordelijken voor hun internationale verplichtingen: “Uit voorgaande kunnen we besluiten dat de uitbreiding van agrobrandstoffen tot op heden een voornamelijk negatieve impact heeft gehad. Uit de ernst en omvang van de beschreven situaties blijkt een niet-naleving van de fundamentele rechten van de mens (…). Dit druist in tegen de engagementen van België inzake biodiversiteit, milieu en klimaat” [7]. Ondanks de niet mis te verstane waarschuwingen bleef de federale overheid de ontwikkeling van de agrobrandstofsector ondersteunen. In 2013 werd een nieuwe wet gestemd “met het oog op de stijging van het minimale nominale volume duurzame biobrandstoffen die de volumes fossiele motorbrandstoffen, die jaarlijks tot verbruik worden uitgeslagen, moeten bevatten” [8].

De federale raad voor duurzame ontwikkeling reageerde met verontwaardiging over het feit niet te zijn geconsulteerd over deze nieuwe wet [9]. Op internationaal niveau spraken het VN-comité voor economische, sociale en culturele rechten en de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties hun ongerustheid uit over de Belgische politiek en verzochten om de uitvoering van systematische impact-evaluaties op de mensenrechten [10]. De regering veranderde echter niet van koers. In 2016 bepaalde een nieuwe richtlijn dat benzine 95E5 vanaf 1 januari 2017 vervangen zou worden door benzine 95E10, dwz dat de hoeveelheid agro-ethanol in de benzine aan de pomp verdubbeld wordt. Recent, in mei 2018, bepaalde een koninklijk besluit een dwingende doelstelling van 8,5% aan agrobrandstof in het brandstofaanbod aan de pomp, vanaf 2020.

EEN KLIMAATOPLOSSING ERGER DAN DE KWAAL

Laten we niet vergeten dat het voornaamste rechtvaardigende argument voor de ontwikkeling van agrobrandstof de strijd tegen de klimaatsverandering is. Voorstanders redeneren namelijk dat de CO2 die vrijkomt door de verbranding van agrobrandstoffen op voorhand geabsorbeerd wordt door de atmosfeer dankzij de fotosynthese in de groeiende gewassen.
Het effect op broeikasgassen zou dus lager liggen. Wetenschappelijke studies weerlegden dit klimaat argument met een analyse van de gehele productiecyclus van agrobrandstoffen. De impact op milieu en klimaat wordt sterk in vraag gesteld als men de bestemmingsverandering in rekening neemt van indirecte gronden (Indirect Land Use Change, ILUC). Wanneer een agrobrandstofteelt een voedselteelt vervangt, zal deze laatste immers verplaatst worden naar andere, koolstofrijke ecosystemen, wat het gunstige effect op de vermindering van broeikasgassen annuleert. Volgens rapporten in opdracht van de Europese Commissie zouden agrobrandstoffen door het ILUC-effect uiteindelijk meer broeikasgassen uitstoten dan fossiele brandstof [11]! Extra nadelig is de balans voor bepaalde agrobrandstofteelten als soja of palmolie, die 2 tot 3 keer meer broeikasgassen zouden uitstoten dan zuivere diesel [12].

Nu wordt er voornamelijk agrodiesel verbruikt in Europa (80% agrodiesel tegen 20% agro-ethanol). Dit verbruik verklaart onder andere de uitbreiding van de Europese koolzaadteelt, maar ook de stijgende invoer van palmolie. De invoer van palmolie is meer dan verdubbeld gedurende de afgelopen 10 jaar; meer dan de helft van de olie wordt nu gebruikt voor transport, eerder dan in de voedselindustrie.

BESLUIT: MENSENRECHTEN EN KLIMAATDOELSTELLINGEN TERUG CENTRAAL STELLEN IN HET BELEID

Begin 2000 nog aangekondigd als dé oplossing om broeikasgassen te verminderen in de transportsector, blijken agrobrandstoffen uiteindelijk een oplossing die erger is dan de kwaal. Het voorbeeld van agrobrandstof maakt duidelijk dat een mobiliteitsbeleid niet gebaseerd kan worden op techno-industriële innovaties zonder ook onze mobiliteitsbehoeften grondig te herzien (en te verminderen). Enkel een globaal beleid, gericht zowel op vermindering van de vraag als de ontwikkeling van een aangepast alternatief aanbod (meer en beter openbaar vervoer, carpoolen, zachte mobiliteit, enz.) kan een antwoord bieden aan de klimaatuitdagingen. Bovendien had de impact van agrobrandstoffen op voedzelzekerheid en de mensenrechten – in het bijzonder het recht op voedzaam voedsel – had de staten ertoe moeten aanzetten om hun beleid te herzien en hun steun aan de agrobrandstoffensector stop te zetten. De industriële en agroalimentaire lobby’s wogen duidelijk zwaar door op de beleidsmakers, wat nogmaals bleek uit de herziening van de richtlijn rond hernieuwbare energie (RED 2), begin dit jaar. Het is duidelijk dat we een nog sterkere burgermobilisatie nodig hebben om de klimaatengagementen en het respect van de mensenrechten centraal te stellen in de besluitvorming.


Opmerkingen

[1Omwille van het gebruik van biomassa hanteren sommigen de generische naam “biobrandstoffen”. De meeste biobrandstoffen worden tegenwoordig echter geproduceerd uit landbouwproducten of afgeleiden, terwijl meer geavanceerde (de zogenaamde tweede en derde generatie-) technieken waarbij bijvoorbeeld micro-algen gebruikt wordt nog in hun kinderschoenen staan. Wij verkiezen de term “agrobrandstoffen” om verwarring te vermijden met de term “bio”, die een andere betekenis heeft in het algemeen taalgebruik.

[2Let wel dat de overduidelijke overproductie in bepaalde sectoren gecompenseerd wordt door een groot productiedeficit in andere. De EU is namelijk afhankelijk in eiwit- en oliehoudende gewassen en importeert voornamelijk grote hoeveelheden soja en palmolie.

[3Zie onder andere de aanbevelingen van het Committee on World Food Security, “Biofuels and food security”, Report of the 40th session, 7-11 October 2013, Rome.

[4A/HRC/9/23, § 25

[5O. De Schutter, « Note on the Impacts of the EU Biofuels Policy on the Right to Food », State-ment based on letter sent to EU institutions on http://www.srfood.org/images/stories/pdf/otherdocuments/20130423_biofu-elsstatement_en.pdf

[6Zie onder andere de adviezen van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling: “Advies biomassa” van 4 juli 2008 en “Advies over een koninklijk besluit houdende bepaling van productnormen voor biomassa” van 26 oktober 2011.

[7Monique Munting (2010), “Impact de l’expansion des cultures pour biocarburants dans les pays en développement”, studie in opdracht van de federale overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, CETRI, december 2018

[8Wet van 17 juli 2013 “houdende de minimale nominale volumes duurzame biobrandstoffen die de volumes fossiele motorbrandstoffen, die jaarlijks tot verbruik worden uitgeslagen, moeten bevatten”.

[9De Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling betreurde de keuze voor een spoedprocedure en het gebrek aan inspraak van het middenveld wat het gebruik van biobrandstoffen betreft.
https://www.frdo-cfdd.be/sites/default/files/content/download/files/i59n_0.pdf

[10Committee on Economic, Social and Cultural Rights, E/C.12/BEL/CO/4, §22

[11Ecofys, IIASA and E4tech (2015), « The land use change impact of biofuels consumed in the EU : Quantification of area and greenhouse gas impacts », Study commissioned by the European Commission. https://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/Final%20Report_GLOBI-OM_publication.pdf

[12Transport & Environment, « 7 facts about palm oil biodiesel », Briefing note, May 2018.