Désolé, cet article n’existe pas en français. Langue d’origine : nl

Een lokale voedselstrategie en zijn korte keten

In het najaar van 2010 waaide een gunstige Franse wind over onze Vlaamse akkers. Die wind bracht nieuws over een actieplan voor de korte keten onder de naam “Plan d’action pour les circuits courts” (2009). Een primeur ! In 2011 ontwikkelde ook Vlaanderen een "Strategisch plan voor de korte keten"[1]. Welke resultaten heeft dit plan na vijf jaar opgeleverd ? Welk advies kunnen we geven aan de betrokken boeren en hun co-producenten van lokale producten ? Hoe zit het met de regels en productiesteun van de overheid ? En komt er na de eerste vijf jaar ooit nog een volgend plan ?

In het plan voor de korte keten zaten goede ideeën. Beperk het aantal schakels in je voedselcircuit. Betrek je consumenten erbij. Ga aan de slag met het lokale karakter van de landbouw via je aanbod van lokale producten, je directe verkoop en eventueel collectieve verdeelsystemen. Wees autonoom in je prijszetting. Vertel een verbindend verhaal over de landbouw, de seizoenen, productie en distributie.
Het plan klonk veelbelovend. Bovendien werd een adviesraad voor de uitvoering van het plan opgericht. Het "Platform voor de korte keten" gaf overlegruimte aan de oorspronkelijke initiatiefnemers van het plan zoals Steunpunt Hoeveproducenten, VLAM, Voedselteams, Bioforum, Innovatiesteunpunt Boerenbond. De eerste twee partners kregen meteen structurele ondersteuning van Vlaanderen met als gevolg : meer promotie naar de consument en professionele steun aan bedrijven. Er bleven nog wat kruimels over die in de periode 2011-2013 gebruikt werden om 24 kleinschalige, lokale projecten te subsidiëren voor een totaal budget van 170.000 €.

En toen... gebeurde er niets

Toen viel de hele dynamiek stil. Waarom weet niemand. De economische context van de vrije markt bleef echter onveranderd. De korte keten kreeg met andere woorden de behandeling van een niche met een mooi verhaal terwijl het Europees beleid laatdunkend over die akkers neerkeek. Het voornaamste streven bleef economische groei. Dat leidde tot verdere expansie en industrialisering van de landbouw. De interesse van de Europese troïka-ruiters in de korte keten beperkte zich tot hun flanerend bezoek op de zondagmarkt. Een paar keer per jaar. En in Vlaanderen werd naar die houding opgekeken door de bevoegde politici. Zo kregen de lokale producenten ook nog de naam "keuterboeren".
Er werd dus niet gewerkt aan meer collectieve pistes voor bedrijven, zoals bijvoorbeeld steun aan coöperatieve samenwerking. Dit kan op verschillende manieren gebeuren : gedeeld gebruik van machines, afspraken voor teeltafwisseling in een regio, of een gezamenlijke aanpak van de logistieke uitdaging van de korte keten. Ook het Vlaamse middenveld, potentieel een goede netwerker, ging hier niet mee aan de slag. Eerder volgden hun strategieën - meer dan ooit - een financiële koers die de eigen kassa moest spijzen. Hun focus was gericht op zaken : bedrijfsadvies geven rond wetgeving en vergunningen, het imago van de eigen beweging promoten om de verkoop in de eigen niche te laten groeien, boeren linken met supermarkten, promoten van streekproducten zonder criteria voor lokale herkomst - met het gevolg dat verschillende ingrediënten geïmporteerd worden. De dynamiek naar activisme van burgers en boeren werd onderdrukt. Ook verschenen puur commerciële hypes als Fermettes en E-Farmz, die kort veel media-aandacht ontvingen, om dan een snelle dood te sterven.

Collectieve intelligentie

Er bestaat echter wel degelijk een alternatieve aanpak. Zo zouden politiek en middenveld aan de slag kunnen met de regionale praktijken van de boerenlandbouw en de voedselsoevereiniteit. Deze collectieve intelligentie gebruiken, geeft opties voor marktregulering in de korte keten op maat van de boer en op basis van traditionele, grondgebonden productie. Met afspraken rond verschillende kwesties : volume en prijsbeheersing per sector, de relatie tussen gangbare en biologische landbouw, de relatie tussen productieve landbouw en groene zorg, landschapsverweving tussen de akkers, samenwerking met niet-professionele landbouw in de buurt en een collectief doel voor de graad van zelfvoorziening in de regio.
Dergelijke aspecten blijven in Vlaanderen veel te vaak in de kou staan. Aan duurzaamheid werd in het korteketenplan na een rondetafelstrijd amper één alinea gewijd, zonder criteria, noch stimulansen. Na enige kritische vraagstelling werd het Platform voor de korte keten plots afgeschaft, zonder overleg of bekendmaking aan de deelnemers.
Kortom : er was een plan, maar de realisatie bleef algauw haperen. De middelen droogden op en het overleg werd stopgezet. Resultaat bleef uit.
Maar je kent ons wel, grondgebonden landbouwers : wij bekijken de grond en bespreken ook de toekomstige teelten. En we zeggen : als plan A niet werkt, zijn er nog 25 letters in het alfabet.

Lokale Voedselstrategie

Enkele jaren later kwamen de politici met een nieuw aanbod. Het was 2015 en na twee jaren radiostilte klonk het vanwege de landbouwminister aldus : “ik wil het Strategisch platform korte keten laten evolueren van een stuurgroep naar een bemiddelende structuur. Het platform moet niet enkel aan de korte keten werken, maar een structuur worden die alle lokale voedselstrategieën stimuleert, sectoroverschrijdend werkt en waarin lokale partners, overheden en bedrijven een stem krijgen.”
De oogst van het jaar 2015 is een IPO-advies [2] voor Lokale Voedselstrategieën aan alle Vlaamse ministers. Dit bevat aanbevelingen rond drie grote thema’s : beleid & beheer, ondernemerschap en ruimte. Het advies is nuttig ! Maar het is geen plan, waardoor opvolging en budget op Vlaams niveau bijzonder beperkt zijn.
Op het lokale terrein zijn er intussen steden die hun eigen voedselstrategie ontwikkelen in navolging van onze Angelsaksische buren Toronto, Londen en Amsterdam en de Romaanse buren Turijn en Parijs. Ze werken daarbij niet alleen rond landbouw, maar ook rond economie, ruimtelijke ordening, onderwijs, cultuur, welzijn, gezondheid en Noord-Zuid relaties. Wat de relatie tussen ons voedsel en die andere terreinen weer duidelijk maakt.
Meestal praten we dan over stadslandbouw en over sociaal-culturele behoeften zoals eerlijke en lekkere voeding, ontspannende inspanning, ecologisch en klimaatbewust actief zijn, de boeren van de stadsrand kennen.
Dat laatste legt gelukkig opnieuw een klemtoon op de korte keten, op de economische survival van familiale landbouw en van lokaal aanbod via hoevewinkels en CSA- bedrijven. Voor veel sociale werkplaatsen is dit een kans om groene tewerkstelling waar te maken.

Via experimenten naar echte verandering ?

Ondanks de hierboven beschreven vooruitgang op lokaal niveau, blijven de maatregelen vooral draaien rond promotie. Initiatieven die steun krijgen zijn bijvoorbeeld verkoop op markten, hoevewinkels, zelfoogstboerderijen, buurttuinen en educatie in scholen. Met aansluitend tips om de eigen keukenvoorraad op een meer duurzame en lokale manier in huis te halen. Daarnaast blijven de meer fundamentele uitdagingen onaangeroerd. In de rest van dit artikel bekijken we hier drie voorbeelden van.

Druk op de grond

De toegang tot grond staat onder druk in heel Vlaanderen. Dit is te wijten aan de Vlaamse ruimtelijke ordening en de druk op de ruimte van verstedelijking (straten en woningen) en marktspelers zoals industrie en bouwbedrijven. De werkelijke evolutie in het Vlaamse landschap is de verkaveling en betonnering, de verpaarding, de versnippering. Voor landbouwers is dit een grote bedreiging en beperking. Toegang tot land wordt steeds moeilijker. Bovendien gaan overheidsgronden massaal op de markt, wat leidt tot een privatisering van collectieve grond. Een uitdaging voor de overheid is ervoor te zorgen dat deze gemeenschapsgrond behouden blijft. Daarvoor kunnen we nieuwe instrumenten ontwikkelen zoals gebruiksovereenkomsten tussen boeren en (lokale) overheden. Overeenkomsten die de voordelen van de pachtwet hebben (maximum prijzen, langetermijnperspectief,…), maar tegelijk ook criteria bevatten voor lokale voedselproductie en respect voor omgeving en natuur.
Helemaal logisch is het als een lokale voedselstrategie innovatieve manieren integreert om de toegang tot grond te faciliteren. Bijvoorbeeld door criteria te ontwerpen voor verhuur of verkoop van gemeenschappelijke gronden om ze voor te behouden voor "landbouw met lokale afzet". Op die manier ontstaan er mogelijkheden voor een creatieve invulling van overgangsgebieden tussen stad en platteland. We kunnen dergelijke zones aantrekkelijk maken voor multifunctionele landbouw met recreatief medegebruik en groene zorg. Maar ook productieve landbouw die niet beroepsmatig is, zou in die gebieden aan bod kunnen komen met volkstuinen en voedselbossen. Op die manier kunnen nieuwe groene ruimtes ontstaan, vaak in de randstedelijke context, die zowel economisch als ruimtelijk, zowel recreatief als milieukundig een meerwaarde bieden.

Stad-plattelandsverbinding

Het “lokale” voedselsysteem stopt niet bij de grenzen van onze kleine steden en gemeenten, het is regionaal. Een verbinding tussen stad en omliggende gemeenten via voedsel kan ook de bestaande sociale en culturele verbinding versterken. De bewoners van de stadsregio herontdekken het regionaal ecosysteem. Dat stimuleert meteen ook de economie van die regio en schept meer kansen voor kleinschalige en gemengde landbouwbedrijven.

Bedrijfsniveau overstijgen

Advies, opleidingen en de verdediging van bedrijfsbelangen in de landbouw krijgen veel aandacht. Maar wat we even hard nodig hebben, is een beleid rond eerlijke prijsregulering gebaseerd op de reële productiekost. Ook op de markt van het lokale aanbod staan eerlijke prijzen onder druk door de grote concurrentie. Het gebrek aan kennis over de productiekost en eerlijke prijzen, is een stressfactor voor boeren en verhoogt de werkdruk. Er bestaan mogelijkheden om oneerlijke handelspraktijken van de grootwarenhuizen en andere retailbedrijven een halt toe te roepen.

Een plan, en dan ?

Voor de korte keten werd er op Vlaams niveau wel een plan gemaakt, maar dit werd niet concreet uitgevoerd of financieel mogelijk gemaakt. Nadien ontvingen alle Vlaamse ministers een belangrijke adviesnota over lokale voedselstrategieën. Deze adviesnota besprak wel fundamentele uitdagingen zoals toegang tot grond en regionale samenwerking, maar bracht opnieuw geen concrete verandering. Het lijkt erop dat de alternatieve niches wel sympathie oogsten maar daarnaast vooral een niche horen te blijven : op een hoger bestuursniveau blijven handels- en investeringsakkoorden een aanval op de lokale en familiale boerenbedrijven.

Wim Merckx, medewerker Boerenforum

[1] Vlaamse Overheid, afdeling landbouw en visserij, 2011, Strategisch Plan Korte Keten, http://lv.vlaanderen.be/sites/default/files/attachments/strategisch-plan-korte-keten%281%29.pdf

[2] Interbestuurlijk plattelands overleg : http://lv.vlaanderen.be/sites/default/files/attachments/ipo-advies_-_lokale_voedselstrategieen.pdf

Cet article a été publié (en français) dans Beet the System !, le magazine des luttes pour la souveraineté alimentaire