Beet the system: Artikel 4

Landbouw en grond in de internationale onderhandelingen

Brigitte Gloire, experte uit het maatschappelijk middenveld omtrent de internationale klimaatonderhandelingen.

Sinds de totstandkoming van het klimaatverdrag van de Verenigde Naties in 1992 tot op het COP21-verdrag van 2015 in Parijs zijn de sector landbouw en “ander grondgebruik”, in VN-jargon, steeds het kind van de rekening geweest. Niet echt verwonderlijk, want laten we niet vergeten dat de verbranding van fossiele brandstoffen voor onder meer elektriciteitsproductie, verwarming en transport, verantwoordelijk is voor bijna 80% van de CO2-uitstoot. Het devies “leave-it-in-the-ground” van de klimaatmilitanten van het eerste uur heeft nog niets aan relevantie ingeboet.

In de loop der jaren, nam de mobilisatie van ontwikkelingslanden en hulporganisaties toe, verrast door de omvang van het probleem dat duidelijk werd na publicatie van het vierde rapport van het IPCC in 2007. Dit bevatte uiterst alarmerende scenario’s omtrent de impact van de klimaatopwarming op grote klimaatrampen, landbouw en natuurlijke hulpbronnen. Ze pleitten vooral voor meer aandacht voor adaptatie in de klimaatonderhandelingen. Aangezien de aanpassingen vooral landbouw aangaan, steeg de aandacht voor deze sector.

Bij de ontwikkelde landen stoelde de aandacht voor de landbouwsector op uiteenlopende belangen. Zij hadden voornamelijk oog voor de interessante economische opportuniteiten die CO2-opslag te bieden had.
De militanten voor een rechtvaardigere en duurzamere wereld tenslotte, die de klimaatonrechtvaardigheid en de limieten van ons ontwikkelingsmodel aanklaagden op de klimaatconferenties, lieten niet na te wijzen op de verantwoordelijkheid van de landbouwsector in de klimaatopwarming, waarvan sprake in andere artikels in deze publicatie.

VAN 1992 TOT HET PARIJS-AKKOORD. EEN GEDEELDE MAAR GEDIFFERENTIEERDE AANDACHT VOOR DE GRONDSECTOR AFHANKELIJK VAN OF HET GAAT OM ADAPTATIE OF MITIGATIE.

Sinds 1996 is de landbouwsector deel van de discussies. Maar wordt vooral gezien als een van de prioritaire sectoren voor adaptatie. Met name in 2001, tijdens de onderhandelingen rond de inwerkingtreding van klimaatfondsen (zoals het fonds voor klimaatadaptatie of adaptatiefonds). De verzoeken omtrent adaptatie komen – begrijpelijkerwijs- voornamelijk van de ontwikkelingslanden. Die laatsten blijven echter heel voorzichtig wat mitigatie betreft en beroepen zich – geheel terecht- op het gemeenschappelijke maar vooral gedifferentieerde verantwoordelijkheidsprincipe. Zo stellen zij: Akkoord, we zitten allemaal in dezelfde boot, met eenzelfde uitdaging. Maar wij zijn minder verantwoordelijk voor de klimaatopwarming dan jullie. Het zijn de ontwikkelde landen die eerst, meer en sneller moeten afbouwen (de 3 F’s: first, further and faster!).

Vergeten we niet dat de ontwikkelingslanden volgens de conventie hun uitstoot niet hoeven te verminderen en dus in rekening te brengen; enkel aan te geven. Van hun kant moeten de ontwikkelde landen die het Kyotoprotocol ondertekenden hun uitstoot, maar ook hun CO2-opname in de grondsector in rekening brengen (LUCUCF: Land Use, Land Use Change and Forestry), evenals de uitstoot van andere gassen als methaan en stikstofprotoxide, in grote mate aanwezig in de industriële landbouw. Wat de ecosystemen in ontwikkelingslanden betreft richtten de onderhandelaars zich in de eerste plaats op de bossector, via de vermindering van CO2-uitstoot veroorzaakt door ontbossing en bosbeschadiging (het REDD-programma),

Ngo’s en maatschappelijke bewegingen ijverden voornamelijk voor de vrijwaring van voedselzekerheid en mensenrechten in het verdrag. Hierbij klaagden zij onder meer de inbreuken aan waarvan personen die zich op het terrein verzetten tegen “valse oplossingen” het slachtoffer van zijn.

En het is daar waar het schoentje wringt wanneer het gaat over grondgebonden kwesties in het klimaatdebat. De “koolstofmetrische” benadering die door de actoren van de klimaatconventie wordt toegepast, maakt een systemische analyse van de verantwoordelijkheid van de mondiale landbouw- en voedingsindustrie in de klimaatopwarming moeilijk. Zoals de organisaties van de CLARA-groep (Climate, Land, Ambition and Rights Alliance) opmerken, zijn onze gronden heel wat anders dan koolstof. Daarom pleiten de leden van deze alliantie er bij de vertegenwoordigers en andere klimaattechnici voor grond te erkennen als “… basis voor voeding, huisvesting, leefomgeving, watervoorziening, bestaansmiddelen, en vele andere functies...”. Ze vragen de prioriteit van de mensenrechten en voedselzekerheid te onderkennen en verdedigen in de klimaatgesprekken.

Sinds de inwerkingtreding van de conventie doen er zich op verschillende niveaus problemen voor bij de inachtneming van de grondsector in de klimaatonderhandelingen:

  • Wanneer we naar de grondsector kijken, geven de ontwikkelde landen de indruk dat ze een relatief lage koolstofuitstoot veroorzaken, hoewel ze veel producten consumeren met een hoge koolstofvoetafdruk, zoals vlees, soja, palmolie en papier. Zo staat de Europese Unie momenteel te boek als een koolstofput in de registers omtrent de uitstoot van broeikasgassen, terwijl wij een aanzienlijk aandeel hebben in de ontbossing vanwege onze invoer van vlees, soja, palmolie (onder andere voor agrobrandstof) maar ook van Noord-Amerikaans hout voor pellets. Wij hebben ontbossing zeg maar gedelokaliseerd.
  • Ondanks de inbouw van reguleringsmechanismen blijven er nog steeds talrijke achterdeurtjes overeind in koolstofmetingen. Zo blijft bio-energie beschouwd als een neutrale energie (met als argument dat de uitstoot bij diens verbranding gecompenseerd wordt door de hypothetische verdere groei van de biomassa na de oogst). Ook kan er door de vaagheid van de referentieniveaus gespeeld worden met de hoeveelheden.
  • Tot op heden ondernamen koolstofhandelaren weinig pogingen om de grondsector open te stellen voor de zeer controversiële koolstofkredieten. Gelukkig kan uitstootreductie via natuurlijke koolstofafvang moeilijk worden gecertifieerd op de strikte markt. Omwille van het feit dat het moeilijk is om activiteiten van natuurlijke afvang op te nemen in de koolstofboekhouding en dan vooral de niet permanente aard van deze afvang. Op de markt voor vrijwillige CO2-compensatie gaat het er echter anders aan toe. De lopende discussies om het Parijs-akkoord in praktijk te brengen voorspellen op dit vlak niet veel goeds.
  • Ten slotte, passerden, bij elke klimaatconferentie en andere VN-toppen over voedsel, miraculeuze (schijn-)oplossingen de revue om grond en klimaat met elkaar te verzoenen. Men zou kunnen inzetten op beproefde en efficiënte oplossingen, zoals de ontbossingsstop, het herstel van koolstofrijke biotopen, agro-ecologie, multifunctionele en voedingsgerichte kleinschalige landbouw, korte ketens, het tegengaan van de overconsumptie van vetten, suikers en industriële eiwitten, minder dierlijke eiwitten in ons dieet– kortom, oplossingen gericht op een grotere voedselsoevereiniteit. Helaas volgen de een na de andere “innovatieve” maar illusoire oplossingen elkaar op in de spotlights van het klimaatdebat. Zo was er de globale alliantie voor klimaat-slimme landbouw (GACSA) [1], bio-energie met koolstofafvang en opslag (BECCS), de aanplant van monoculturen van bomen en, recenter, het plan voor koolstofcompensatie en -reductie in de internationale luchtvaart (CORSIA).

VERGROOT RISICO VOOR GRONDEN IN HET PARIJS-AKKOORD

De term “negatieve uitstoot” in artikel 4 van het Parijs-akkoord doet uitschijnen dat de verdere uitstoot van fossiele energie “geneutraliseerd” kan worden door koolstofputten. Dit systeem voor koolstofopslag zal de jacht en de concurrentie op grond sterk aanzwengelen en bedreigt nu reeds het recht op grond en natuurlijke grondstoffen. Deze “parade” maar ook de lopende gesprekken om de marktmechanismes in artikel 6 te bepalen zijn een bedreiging voor de integriteit en vooral gelijkheid in het nieuwe klimaatakkoord. We zouden kunnen hopen op het veronderstelde gezonde verstand en de vastberadenheid van de onderhandelaars om zulke risico’s te vermijden. De geschiedenis van de klimaatonderhandelingen leert ons echter dat de machtsverhoudingen in deze instellingen zeer onevenwichtig zijn. Externe druk van burgers en maatschappelijke bewegingen is dus meer dan ooit nodig om:

  • te garanderen dat rechthebbenden en in het bijzonder boerenorganisaties deelnemen in de klimaatonderhandelingen;
  • de vraag en aanbod van fossiele - en biobrandstoffen te beperken net zoals alle goederen en diensten met een grote maatschappelijke en ecologische voetafdruk;
  • de vraag en aanbod van de voornaamste hefbomen voor ontbossing (vlees – soja – palmolie – hout) te beperken, alsook de methaan- en stikstofuitstoot in de veehouderij en de industriële landbouw
  • het economisch- en handelsbeleid te reguleren om overconsumptie te beperken en productie- en consumptiemethodes te ondersteunen die beantwoorden aan de internationale voornemens en verdragen, met name met betrekking tot de veiligstelling van grond
  • ontregelde ecosystemen te beschermen en te herstellen
  • Adaptatiestrategieën in de landbouw te ondersteunen.

In de grondsector die vitaal is voor ons allemaal, is het essentieel om voorzichtig te handelen!


Opmerkingen

[1Global Alliance for Climate Smart Agriculture