Ruimte voor mensenrechtenverdedigers in België : Een beknopt overzicht van de situatie in 2021-2022
Tim Goedemé en Yannick De Backer - Federaal Instituut voor de bescherming en bevordering van de Rechten van de Mens [1]
Een robuuste democratie kan niet bestaan zonder een voldoende open, levendige en veilige maatschappelijke ruimte (‘civic space’). Dat is de ruimte die door burgers wordt gebruikt om een aantal fundamentele rechten te benutten, zoals de vrijheid van meningsuiting, het recht op vereniging, het recht om in de openbare ruimte bijeen te komen en te demonstreren, het recht op informatie en persvrijheid, enzovoort. Ondanks een aantal stevige garanties in de Belgische grondwet en een groot middenveld, is een kwaliteitsvolle maatschappelijke ruimte niet vanzelfsprekend.
Daarom voert het Federaal Instituut voor de bescherming en bevordering van de Rechten van de Mens (FIRM) onderzoek naar de maatschappelijke ruimte in België, en bekijkt het hoe deze verder kan worden versterkt. In dit artikel presenteren we de eerste resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de maatschappelijke ruimte in België, en de bedreigingen en agressie waarmee mensenrechtenverdedigers worden geconfronteerd.
In het kader van het project "Ruimte voor mensenrechtenverdedigers in België” bevroegen we eind 2022 een uiteenlopende groep van 159 mensenrechtenorganisaties (uit een totaal van meer dan 1400 organisaties die uitgenodigd werden), voornamelijk over de problemen en bedreigingen die ze ervaren en die mogelijk afbreuk kunnen doen aan hun integriteit of voortbestaan. We zijn daarbij vooral geïnteresseerd in de dimensie ‘zekerheid’ van de maatschappelijke ruimte : in welke mate zijn er beperkingen of zelfs gevaren (i.e. agressie) bij het ‘gebruik’ van de maatschappelijke ruimte. Hoewel het onderzoek en de analyse nog volop gaande zijn, kunnen we wel al enkele redelijk algemene bevindingen presenteren.
Een aanvaardbare situatie…
Eerst en vooral, over het algemeen kan er gesteld worden dat de huidige situatie voor de meeste mensenrechtenorganisaties die de vragenlijst hebben ingevuld aanvaardbaar is (zie Figuur 1). Immers, op het moment van de bevraging gaf een groot deel van hen, 44%, aan dat ze de huidige situatie waarin mensenrechtenorganisaties moeten opereren, “goed” tot “uitstekend” vinden. Een even groot deel omschreef het klimaat maar als “redelijk”, een cijfer dat wellicht hoger ligt dan we in België zouden verwachten. 11% van de ondervraagden daarentegen vond de situatie juist “(erg) slecht”. Met name feitelijke verenigingen en organisaties die niet kunnen beschikken over betaalde medewerkers beoordelen de situatie minder gunstig dan andere organisaties. Toch doen we het vanuit Europees standpunt best goed : in een bevraging van het Fundamental Rights Agency (FRA) uit 2021 bestempelde 33% van de Europese mensenrechtenorganisaties de situatie als “slecht” tot “heel slecht” en slechts 2% het als “erg goed” (tegenover 11% in onze bevraging). [2]
… die wordt bedreigd door intimidaties en verschillende vormen van agressie
Niettemin is er ruimte voor verbetering. Daarom peilden we naar de financiële situatie van mensenrechtenorganisaties, hun mogelijkheden om aan het beleidsproces deel te nemen, de politieke druk die ze ervaren en de mate waarin ze met allerlei vormen van dreigementen en agressie te maken krijgen. Ongeveer 65% van de ondervraagde organisaties meldde dat ze op minstens één van deze aspecten een probleem hadden ervaren in de voorbije 24 maanden. Veruit het meest voorkomende probleem zijn intimidatie en verschillende vormen van agressie : 55% van de organisaties meldde dat ze in die periode met minstens één vorm van intimidatie of agressie te maken kregen (zie Figuur 2). Andere beperkingen zijn minder voorkomend, maar vaak wel cumulatief : bij iets minder dan de helft van wie moeilijkheden rapporteert, komen er op minstens twee domeinen problemen voor. Dit geldt in het bijzonder voor organisaties die moeilijkheden met participatie in het beleidsvormingsproces rapporteerden : dit gaat bijna steeds samen met moeilijkheden om de werking te financieren of ervaringen van intimidatie en agressie. Daartegenover staat dat slechts 10% van de deelnemende organisaties (grote) moeilijkheden op minstens drie domeinen rapporteerden, en minder dan 2% op alle vier de onderzochte domeinen.
62% van de organisaties gaven aan tijdens de voorbije twee jaar minstens één keer te maken hebben gehad met on- of offline verbale agressie. In Figuur 2a en 2b nemen we echter alleen regelmatige verbale agressie mee (i.e. minstens tweemaal per maand). Dit komt met 11% veel minder vaak voor (zie Figuur 2b). Andere vormen van geweld, zoals fysieke agressie (10%), vernieling van eigendommen van medewerkers of de organisatie zelf (12%) en politiegeweld (5%, bv. willekeurige arrestaties) zijn procentueel misschien eerder beperkt, maar kunnen toch een bijzonder grote impact hebben op de werking van de organisaties. Surveillantie door binnen- of buitenlandse veiligheidsdiensten wordt eveneens door een aantal organisaties (6%) vermeld. Daartegenover staat dat juridische intimidatie (24%), negatieve berichtgeving of mediacampagnes (22%) en politieke sancties (17%) wel relatief vaak voorkomen. Het verbaast in deze tijden wellicht niet dat heel wat organisaties (19%) bovendien minstens één keer met een cyberaanval te maken hadden. Zowel publieke instellingen, ombudsdiensten, vzw’s als kleine feitelijke verengingen werden hierdoor getroffen. Mogelijk wordt dit in de toekomst een nog belangrijker aandachtspunt.
Hoewel er geen één op één relatie bestaat tussen de ervaringen van de organisatie met betrekking tot bovenstaande bedreigingen en beperkingen, en hoe de algemene omstandigheden voor mensenrechtenorganisaties worden ingeschat, is er wel een link. Organisaties die problemen ondervonden op minimaal twee van de vier onderzochte domeinen zijn immers vier keer zo vaak geneigd de algemene omstandigheden als (erg) slecht te beoordelen dan organisaties die op geen enkele of maximaal één punt moeilijkheden hebben ervaren. Verder stellen we vast dat hoe de algemene omstandigheden worden ingeschat het sterkst samenhangen met ervaringen met beleidsparticipatie, gevolgd door de ervaringen met externe druk en de financiële situatie van de organisatie.
Achteruitgang sinds de pandemie, maar niet bij alle organisaties
We vroegen ook naar hoe de omstandigheden waarin mensenrechtenactoren werken zijn veranderd tussen 2020 en 2022 (zie figuur 3). Terwijl ongeveer 5% van de bevraagden aangeeft dat de algemene omstandigheden waren verbeterd, vond meer dan 45% van hen dat de situatie eind 2022 slechter was dan voor de start van de covidpandemie. Organisaties die enkel uit vrijwilligers bestaan, die uitsluitend activiteiten ondernemen in het Brusselse Gewest, of die zich zowel focussen op de verbetering van de situatie voor mensen in België als in het buitenland, gaven het vaakst aan dat de omstandigheden waren achteruitgegaan. Deze perceptie staat in schril contrast met hoe de verandering in de situatie van de eigen organisatie wordt ervaren : 37% gaf aan dat de eigen situatie was verbeterd terwijl 25% een verslechtering rapporteerde. Feitelijke verenigingen en kleine organisaties, die weliswaar nog altijd het meest ontevreden zijn over de huidige omstandigheden (cf. Figuur 1), zagen de situatie de voorbije twee jaar het vaakst positief evolueren voor de eigen organisatie. Daartegenover staan de grote (publieke) organisaties, die de situatie voor zichzelf hebben zien verslechteren, maar de huidige situatie nog steeds vaker als “goed” tot “uitstekend” omschrijven.
Een verslechterende financiële situatie
We vroegen organisaties ook naar hun inschatting van hoe de omstandigheden tegenover eind 2020 waren veranderd op verschillende deelgebieden : hun financiële zekerheid, de voorwaarden voor een succesvolle deelname aan het beleidsvormingsproces en de druk ondervonden door de organisatie om haar strategische doelstellingen, haar werkwijze of specifieke activiteiten te wijzigen (zie Figuur 4).
De meningen zijn het meest uitgesproken met betrekking tot de financiële situatie van de organisatie, zowel wat betreft de verandering in financiële zekerheid van de organisatie, als de evolutie van de middelen ten opzichte van de werklast. [3] Op dat gebied geeft slechts een derde van de organisaties aan dat de situatie hetzelfde is gebleven, minder dan 20% wijst op een verbetering, en quasi de helft wijst op een (sterke) vermindering van de financiële zekerheid eind 2022 tegenover twee jaar voordien. Daartegenover staat dat de voorwaarden voor een succesvolle deelname aan het beleidsvormingsproces volgens een ruime meerderheid aan organisaties stabiel zijn gebleven of verbeterd zijn. Toch wijst nog ongeveer 20% van de respondenten op een achteruitgang van die voorwaarden. In de bevraging vroegen we niet specifiek naar de verandering in de politieke druk die organisaties ondervonden, maar wel naar de verandering in de druk om de “strategische doelstellingen, werkwijze of specifieke activiteiten te wijzigen”. [4] 20% van de respondenten vond deze vraag moeilijk te beantwoorden. Van de overige respondenten was iets meer dan de helft ervan overtuigd dat deze externe druk even hoog lag als twee jaar geleden. Eén op drie rapporteerde dat de externe druk in de voorgaande 24 maanden (sterk) was toegenomen.
Ten slotte gaf 40% onder hen aan dat de covid-gerelateerde regelgeving een negatieve, sterke impact heeft gehad op de mate waarin ze hun doelstellingen konden verwezenlijken.
Waakzaamheid blijft geboden
We kunnen dus besluiten dat de omstandigheden waarin organisaties in België de mensenrechten verbeteren relatief goed zijn, in het bijzonder in vergelijking met het Europese gemiddelde. Toch blijft een meerderheid van de organisaties kampen met agressie en intimidatie, en is een groot deel van oordeel dat de algemene situatie de voorbije jaren is verslechterd. Dit is een verontrustende vaststelling, die tot extra waakzaamheid moet aanzetten. Daarom zal het FIRM die ‘krimpende maatschappelijke ruimte’, zoals ervaren door mensenrechtenorganisaties, nauwgezet blijven opvolgen, zodat ze hun activiteiten in alle veiligheid en zonder onnodige beperkingen kunnen blijven verder zetten en burgers hun fundamentele rechten kunnen blijven uitoefenen
Evolutie (tussen 2020 en ’22) op vlak van beleidsparticipatie, financiële zekerheid en externe druk (n = 154)
Noot : Het antwoord “Ik weet het niet” werd uitgesloten voor de berekening van bovenstaande percentages. Externe druk gaat in deze grafiek niet enkel om politieke druk, maar alle druk die de organisaties ervaren (bv. ook vanuit de media).